“We kunnen je nu op een wachtlijst zetten. Dan moet je een paar keer per week het volgende nummer bellen, je naam noemen en waarvoor je opgenomen wordt, en dan komt het uiteindelijk wel goed.” November 2010. Ik, de alcoholist, zit daar in een kamer die meer een soort behandelbunker genoemd kan worden, en de medewerker van ‘de overkant’, zoals de psych ze noemt, vertelt me over de opties. Er zijn alleen weinig opties, dit is wat een heel vergaderteam voor mij heeft besloten; thuis afkicken is zinloos, zet hem maar een week of drie in een ontwenningskliniek. In deze de-klant-is-koning-economie nogal een keuze, maar ik stem in. Radeloos, mijn leven bestaat immers uit niets meer dan wakker worden en beneveld wachten op een oplossing van de heren dokters. Ok, behalve Klotegedichten, dát was een stimulans waar ik nog steeds dankbaar voor ben.
“Ik moet zeggen, ik heb dezelfde leeftijd als jij, maar dit maakt nogal een indruk.” Ik wil niet dat mijn leven getekend wordt door lijden, en zo voelt het de grootste deel dan de tijd ook niet, maar als een GGZ-medewerker dat zegt, dan moet er wel iets aan de hand zijn. En hij heeft wel gelijk. Ik heb net verteld hoe ik me voel, wat ik van mezelf verwacht, en als allerbelangrijkste hoeveel ik drink. Dat blijkt per dag meer te zijn dan dat men van iemand met een alcoholprobleem per week verwacht. Ik kan goedpraten wat ik wil; ik ben alcoholist.
“Je kunt ook naar de afdeling drugs. Die wachtlijst is korter, maar daar zitten wel de echte gekkies.” Maar ik wil helemaal niet opgenomen worden! Wat ik doe is zorgwekkend, maar niet schadelijk. Of tenminste, ik wil dat het niet schadelijk of zorgwekkend is voor mijn omgeving. En dat is het in zekere zin ook niet. Niet (direct) dodelijk. Wel ontwrichtend. Huisgenoten die op z’n minst afkeurend kijken, op z’n ergst huilend je kamer binnenstappen. Eindeloze incidenten, zelfs een strippartij (foto’s op aanvraag, maar don’t get yer hopes up), en veel langer terug een schokkende scheldpartij die ik de ochtend erna al niet meer kon verklaren. Daarom zit ik hier. Maar misschien terecht. Als ik mensen kwaad doe wil ik daar zélf verantwoordelijk voor zijn, niet de alcohol die toevallig ook nog door mijn bloed stroomt.
“We krijgen je er wel weer bovenop.” Ik hoop het. In die tijd was opname ook de enige hoop, mijn laatste strohalm. Ik heb wonder boven wonder geleerd dat je met steun, kameraadschap, liefde een heel eind kunt komen. Geheelonthouding zelfs, acht maanden lang. Dáárna heb ik geleerd dat de valkuilen talrijker zijn dan een mens kan hebben. Veel talrijker. Ik viel, ik stond weer op (of zo je wil, ik brak af, ik bouwde weer), en zo stommel ik door het leven. Momenteel drink ik weer, en ik voel me een ontzettende klootzak.
“Tot volgende week dan maar?” Nee, ik hoop het niet. Ik poog met al mijn hart en verstand afstand te doen van alcohol, maar daar gaat, vrees ik, meer tijd overheen dan ik zou willen. Vrienden, familie, en vooral huisgenoten; Sorry. Met een hoofdletter. Sorry voor het jatten van het bier, het liegen, overlast op feestjes, de nimmer aflatende stroom onverwachtingen, en de zorgen. Jullie hebben hier niet om gevraagd, maar toch erg gemeend laten weten dat jullie het beste met me voorhebben. En dat vergeet ik niet. Nooit.
Geschokt? Eerder schreef ik ook al over de haat/liefde-verhouding die ik heb met alcohol. In het stukje Omdat het kan, omdat het moet probeerde ik mezelf te overtuigen dat ik er vanaf moet blijven, in Delirium schrijf ik (grotendeels fictief) over hoe afkicken van alcohol kan voelen en in Note to self wijs ik mezelf nog eens op mijn fouten.
Inmiddels heb ik aangeklopt bij verslavingszorg, om te kijken óf en hoe ik normaal met alcohol om zou kunnen gaan. Op hoop van zegen, want de vis wordt duur betaald [/culturele referentie].