Unit en Jetser gaan met de trein

HUPSAKEE! Hier zijn wij dan met zijn twee! Unit en Jetser zijn een antropomorf studentenjargonduo. Samen maken ze de meest epische dingen mee. Zoals die keer dat ze naar je moe… Oh, dat verhaal komt later. Maar niet getreurd, want vandaag gaan ze… met de trein!

Unit en Jetser reizen per trein

Jetser zit met zijn voorhoofd tegen het raam geplakt. Hij ziet weilanden voorbij schieten, eindeloos ver strekkende polders met hier en daar een boompje, een dijkje, een paardje, een stapel geruimde puppies. Hij wordt er weemoedig van. “Zijn we er al bijna?” vraagt hij aan Unit. “Nee”, is het antwoord, waarop Jetser een teleurgesteld “Oh” terugzucht. Het is weer even stil. Dan licht zijn gezicht op.
“En nu?”
“Nee.”
“Nu dan?”
“Nee”
“Waar zijn we dan?”
“Bijna halverwege”
“Oh. En nu?”
“Godgodfokkinggloeiende, dat zeg ik toch al?”
“Ja, maar zijn we al halverwege dan?”

En zo kibbelen onze vrinden even voort. De andere reizigers zijn daar echter niet van gediend. Her en der in de coupé zijn zuchten te horen, geërgerd steunen, zacht vloeken, nadrukkelijk kuchen. Een dikke vrouw met een bloemetjesjurk probeert boos een blik te werpen, maar mist. Ananaspartjes van de Aldi, dan heb je dat. Naast haar slaat een man met zijn vuist driftig op zo’n klein klotetafeltje dat je hebt in treinen, onderwijl ‘nein, nein, nein’ roepend. Hij loopt rood aan, zijn snor trilt.

Unit onderbreekt zijn discussie met Jetser even en kijkt om zich heen, de consternatie gade slaand. “Zou dit soms een stilte-coupé zijn?”. Jetser schat de situatie in, verzamelt alle tact en beleefdheid die hij in zich heeft en zegt “NOU, NU NIET MEER HE?”. Met een enorme zwaai rost hij de dichtgeschroefde asbak van het tafeltje af en gooit het naar de bloemetjesjurk. “En nu opflikkeren met je ananas, kut!”.

De rest van de coupé begint zich nu ook te roeren. Meerdere mensen staan op. Iemand rent weg om een conducteur te halen, de anderen proberen Unit en Jetser de trein uit te krijgen met iets wat nog het meest lijkt op massa-verontwaardiging. “Ik ben het eigenlijk wel weer beu, waar gingen we eigenlijk naartoe?” “, vraagt Unit aan Jetser. “Weet ik niet” zegt die, “En nu?”. Jetser grijnst.

Een kwartier later verlaten Unit en Jetser de trein. Ze stappen over de conducteur heen, die daar vast niet comfortabel ligt met een afgebroken noodrem in  z’n hol. Bij de deur draaien ze nog één keer om. De ravage die ze achterlaten is bewonderenswaardig. Zo valt niet te vermoeden hoe moeilijk het is om zo’n treinruit te slopen, weet Unit nu dat bankjes niet lekker smaken en kan de mevrouw met de bloemetjesjurk geen ananas meer zien. Dat laatste omdat er een prullenbakje tot aan haar vadsige nek over de kop is geschoven. Naast haar ligt de brandblusser, geleegd, uitgeleefd. “Unit en Jetser proberen een brandblusser” is een verhaal an sich, een vertelling die de oude Markies De Sade zou doen blozen. Unit wil zijn camera pakken, maar Jetser houdt hem tegen. “Waarom niet?” wil Unit weten, “dit zie je nooit meer”.

“Weet ik, daarom juist. Dit is uniek, en juist daarom moet je er geen foto van maken. Foto’s leiden tot inflatie van de herinnering. De herinnering is er één die je altijd zult houden en altijd zult koesteren. Zoals de zaken nu liggen zullen we altijd met plezier terugdenken aan deze dag, als ware het om Lou Reed te citeren, ‘a perfect day’. ‘Weet je nog die keer dat we…‘ zul je zeggen als we in de kroeg zitten, ouwehoerend en verhalen sterker makend dan ze al zijn. Met een camera documenteer je dan wel feilloos de situatie, maar de sentimenten die je daar aan verbindt vallen niet op film te vatten of in nullen en énen uit te drukken. Als je hier een foto van maakt dan belandt die vroeg of laat in een goedkoop lijstje van de Xenos, of erger. Misschien plak je het in een fotoboek, waar je er eerst regelmatig naar kijkt en daarna niet meer. Waarna de tijd hetzelfde met de foto doet als de foto met je herinnering heeft gedaan: verkleuren, verbleken, verwaarlozen, vergeten. Zoals je merkt; ik heb een bijzonder ambivalente verstandhouding met fotografie, en dit voorval illustreert dat weer treffend. Het zou me genoegen doen als je afziet van dit dwaze besluit. ”

“Oh, maar ik wilde ‘m alleen maar op m’n Myspace zetten. Daar komt toch niemand.”
Jetser zucht en haalt zijn schouders op. “Doe wat je niet laten kunt”. Hij veegt een plukje snor van zijn schoen. “Zullen we dan maar een ijsje halen?”

Bericht geplaatst in Tekst & Uitleg en getagged met , . Bookmarken? Gebruik deze permalink.

Eén reactie op Unit en Jetser gaan met de trein

  1. David says:

    Epische shit, Bob!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>