Verzorgingstehuis. Tien minuten voor het einde van je werkdag. Je hebt je takenlijst volledig doorlopen. Niet snel, vluchtig of half-af. Nee, goed. Grondig. Gedegen. Verder heb je wat extra klussen gedaan waarvan een deel opgedragen is (“doe je ook nog even…”), een deel vriendelijk gevraagd is (“als je tijd hebt, zou je dan…”) en een derde uit eigen initiatief omdat niemand ‘t ooit doet. Je sprong bij waar nodig, want je collega’s hebben het al even druk, en nu sta je met het zweet op je voorhoofd je eigen spullen op te ruimen.
Twee bewoners lopen voorbij, je groet vriendelijk.
“Zo”, zegt de ene, “ga je soppen?”.
“Nee, ik ga stoppen. Het zit er weer op voor vandaag.”
“Ja, jullie werken hard”, zegt de ander. Een eigenaardige stilte valt, die ze opvult met “…maar niet heus”. En ze loopt verder.